Reflectie volgens Korthagen

Reflecteren betekent letterlijk weerspiegeling. Reflecteren wil zeggen: bewust stilstaan bij de eigen aanpak en zich rekenschap geven van het effect van zijn gedrag.

Wat is reflectie?
Tegenwoordig wordt internationaal erkend dat reflectie een belangrijk element is in het professioneel functioneren van uitvoerend werkers in onderwijs, welzijn en zorg. Opleidingen dienen dus aandacht te besteden aan het leren reflecteren.
Het proces van reflecteren: Een persoon reflecteert als hij probeert zijn/haar kennis en/of ervaringen te (her)structureren. Hierin is een belangrijk aspect het 'herstructureren' of 'herkaderen' van ervaringen (door Donald Schön reframing genoemd). Bij reflecteren vorm je je ervaringen om naar inzicht. Je denkt na over je leerproces en de ontwikkeling van je competenties met het oog op stappen die nog gezet moeten worden om de competenties te realiseren. Het ontwikkelen van beter inzicht in het eigen functioneren, het zien van verbanden tussen verschillende ervaringen en het op basis daarvan formuleren van leerdoelen.
Het 'ideale' reflectieproces wordt beschreven in het volgende model:
Spiraalmodel voor reflectie (Korthagen, 1998)

Daarbij is fase 5 de eerste fase van een volgende cyclus. Dat is de reden dat we spreken over een spiraalmodel: beoogd wordt een doorgaande, zelfgestuurde professionele ontwikkeling. Dan spreken we over leren reflecteren.

Leren reflecteren
Bij het spiraalmodel voor reflectie horen een aantal standaard vragen:

a Wat is er gebeurd? (fase 2)
b Wat vond ik daarin belangrijk? (fase 3)
c Tot welke voornemens of leerwensen leidt dat? (fase 4)
Deze 3 vragen zijn eigenlijk heel eenvoudig, en toch blijkt het systematisch beantwoorden ervan een grote verdieping aan te brengen in het leren van ervaringen. Er ontstaat een vruchtbare wisselwerking tussen het handelen als aankomende professional (fasen 1 en 5) en het leren van dat handelen.
Tijdens de studieloopbaanbegeleiding kunnen deze vragen geleidelijk met specifiekere vragen uitgebreid worden, die bijvoorbeeld richting kunnen geven aan het reflecteren met behulp van een logboek (bijv. stage). Deze vragen stimuleren o.a. het reflecteren vanuit studentperspectief.

Een voorbeeld van reflecteren:

Beginsituatie:
Jouw ouders hebben een leuk plan bedacht. Er is een weekendhuisje gehuurd vlak bij de plaats waar jouw moeder als kind altijd op vakantie ging. Gedurende een dagdeel van dat weekend nodigt jouw moeder haar hele familie uit, bestaande uit 2 zussen en 3 broers, met hun gezinnen. Aan jou vraagt je moeder of je van dat dagdeel anderhalf uur een soort spel wil bedenken. Haar doel is dat er herinneringen worden opgehaald en dat de banden op die manier weer eens worden aangehaald. Jij weet dat het tussen sommige ooms en tantes niet erg botert. Jij bent 1e jaars student SPH en toevallig ben je erg creatief.
Samen met je ouders en broer bedenk je, dat het in ieder geval een spel moet worden met foto's. Het moet ook een spel zijn voor jong en oud. Het spel mag niet bedreigend overkomen en het moet de communicatie bevorderen. Het wordt een: speurtocht!!

1. Handelen (fase 1):
Het is zaterdagmiddag 15.00 uur en 20 familieleden in de leeftijd van 9 tot 49 jaar luisteren aandachtig naar jouw uitleg. Je hebt je goed voorbereid dus je staat tamelijk zelfverzekerd je verhaal te doen.

2. Terugblikken op eigen handelen (fase 2):
Als om 18.00 uur iedereen weer terug is, voel je de spanning wegebben en blik je terug. Je voelt je voor een deel voldaan. Je voelt je ook geërgerd. Het weer was gelukkig mooi, maar dat ene neefje van je, dat is toch wel een echte spelbreker. Wat een opmerkingen kan die maken! Dat die twee tantes elkaar zo zouden negeren, dat had je niet gedacht. Wel goed, dat jij in je rol bleef en alles nog eens goed ging uitleggen, toen groep 1 een hele verkeerde kant op ging.

3. Evalueren en analyseren van het eigen handelen (fase 3):
Je hebt de tijd niet goed ingeschat. Je bent niet eerst polshoogte gaan nemen en je hebt ook niet om advies aan je moeder gevraagd, die de omgeving immers goed kent. Je bent soms wat gemakzuchtig en dat kwam hier wel uit.
Je had je goed voorbereid en daardoor kon je een goede uitleg geven aan het begin. Iedereen luisterde aandachtig en de vragen die er kwamen kon je helder beantwoorden. Een van de ooms maakte een zogenaamd leuke grap, maar je liet je er niet door van de wijs brengen.
Tegen je ene neefje was je te bot. Okay, het is een neefje en geen cliënt, maar in het werk kan dat niet. Je weet van jezelf, dat je gevoelig reageert, als er kritiek op jouw ideeën komt en dat neefje had veel kritiek. Leerpuntje?!
Je moeder was de hele middag heel blij. Zij genoot. En eigenlijk zag je dat iedereen genoot. De sfeer was gewoon goed. Als je naar het doel kijkt, wat jouw moeder wilde, dan ben jij erin geslaagd: er zijn veel herinneringen opgehaald en de iedereen was goed in gesprek met elkaar. Je had goed ingeschat, dat er veel gepraat zou worden. Het spel duurde mede daardoor meer dan drie uur. Je vraagt je af of dat goed is of juist niet goed. Want: moet je daarin nu flexibel zijn en het laten uitlopen of had je dat juist strak in de hand moeten houden? Dan was iedereen op tijd thuis geweest en hadden ze, zoals gepland kunnen borrelen en napraten. Je besluit om dit punt nog eens met je moeder te bespreken. Als je zo aan het nadenken bent ben je eigenlijk ontevreden over jouw communicatieve eigenschappen. Je hebt met niemand praatjes gemaakt. Dat snap je niet vanzelf, omdat je anders wel makkelijk contacten legt.

4. Ontwikkelen van nieuwe alternatieven: leerdoelen (fase 4)
Leerdoel 1: meer overleggen in gevallen van gemakzucht: je neemt je voor om een volgende keer, ook al is het een ander soort activiteit, ook al zou het geen familie betreffen maar bijvoorbeeld cliëntcontact, meer te overleggen, als je te makkelijk denkt.
Leerdoel 2: minder gevoelig reageren als er kritiek komt.
Leerdoel 3: (korte termijn) met moeder napraten: was het goed dat het zo uitgelopen was of had ik het meer in de hand moeten houden? Hoe vind ik mijn balans tussen flexibel zijn en strak houden?
Leerdoel 4: Als ik iets organiseer, wil ik met iedereen praatjes maken zoals ik dat altijd doe.

5. Uitvoeren van alternatieven/opnieuw handelen (fase 5)(fase 1)
Toevallig moet je op school een toets doen, waarin je de bovenstaande leerdoelen 1, 2 en 4 in de praktijk kunt brengen. Je bent je nu bewust en je gaat opnieuw handelen, en daarna weer opnieuw terugblikken en analyseren.