Vaardighedenspel

 
+
+/-
-

1. Actief luisteren
2. Non-verbale signalen opmerken
3. Feiten van meningen of gevoelens onderscheiden
4. Duidelijk verstaanbaar spreken
5. Helder formuleren
6. Samenvatten
7. Duidelijk uitleggen
8. Veelpraters correct afkappen
9. Gerichte vragen stellen
10. Open vragen stellen
11. Non-verbale communicatie effectief gebruiken
12. Eigen gevoelens verwoorden
13. Een gesprek op gang houden
14. Logisch redeneren
15. Nieuwe contacten leggen
16. Bestaande contacten onderhouden
17. In grote lijnen denken
18. Details opmerken
19. Gesprekken voorbereiden
20. De lijn van een gesprek vasthouden
21. Telefoongesprekken voeren
22. Schriftelijk communiceren
23. Interesse tonen voor meningen of ideeën van anderen
24. Een discussie leiden
25. Doelen stellen
26. Anderen beïnvloeden
27. Eigen mening of standpunt onderbouwen
28. Afspraken maken
29. Capaciteiten van anderen inschatten
30. Geloofwaardig gedrag vertonen
31. Omgaan met verschillen tussen mensen
32. Een bijdrage leveren in een groep
33. Weerstand opmerken
34. Omgaan met weerstand
35. Omgaan met emoties van anderen
36. Bij de kern van de zaak blijven
37. Een vergadering voorzitten
38. Evalueren
39. Samenwerken met andere disciplines
40. Steun geven aan anderen
41. Deskundigheid van anderen benutten
42. Een ontspannen sfeer scheppen
43. Anderen aanmoedigen
44. Leiding accepteren
45. Anderen stimuleren open te zijn
46. Eigen kwaliteiten inzetten
47. Omgaan met eigen zwakke kanten
48. Omgaan met eigen energie
49. Mezelf motiveren
50. Eigen fouten toegeven
51. Eigen werk organiseren
52. Intuïtie gebruiken
53. Omgaan met eigen emoties
54. Leren van fouten
55. Zelfstandig werken
56. Teleurstellingen verwerken
57. Eigen gedrag analyseren
58. Eigen gedrag bijsturen
59. Mezelf concentreren
60. Evenwicht scheppen tussen werk en privé
61. Anderen motiveren
62. Een visie uitdragen
63. Werk van anderen organiseren
64. Beoordelen
65. Delegeren
66. Manier van leidinggeven afstemmen op situatie
67. Slecht nieuws overbrengen
68. Het goede voorbeeld geven
69. Toezicht houden
70. Omgaan met macht
71. Controleren
72. Instructies geven
73. Gedrag van anderen analyseren
74. Interesse tonen in gevoelens van anderen
75. Problemen bespreekbaar maken
76. Gevoelens van anderen verwoorden
77. Confronteren
78. Stiltes in een gesprek hanteren
79. Advies geven
80. Begeleiden of coachen
81. Een positieve eerste indruk achterlaten
82. Vertrouwen opbouwen
83. Inspelen op wensen of behoeften van anderen
84. Anderen helpen
85. De juiste argumenten gebruiken
86. Omgaan met bezwaren
87. Verkopen
88. Omgaan met klagers en klachten
89. Kritiek accepteren
90. Opbouwende kritiek geven
91. Complimenten ontvangen
92. Complimenten geven
93. Vragen om hulp, advies of feedback
94. Eigen wensen naar voren brengen
95. 'Nee' zeggen
96. Aangeven wat u van anderen verwacht
97. Anderen aanspreken op hun verantwoordelijkheden
98. Grenzen eigen mogelijkheden aangeven
99. Conflicten tijdig aangaan
100. Bemiddelen bij conflicten of tegenstellingen
101. Conflicten op een passende manier hanteren
102. Naar een win-win situatie toe werken
103. Onderhandelen
104. Compromissen sluiten
105. Prioriteiten stellen
106. Tijd efficiënt gebruiken
107. Planmatig werken
108. Afspraken of beloftes nakomen
109. Omschakelen tussen verschillende activiteiten
110. Omgaan met hectische situaties
111. Overzicht houden
112. Omgaan met werkdruk
113. Problemen of conflicten zien aankomen
114. Problemen analyseren
115. Tot de kern van een probleem doordringen
116. Creatieve oplossingen aandragen
117. Een mening vormen
118. Voor- en nadelen tegen elkaar afwegen
119. Anderen betrekken bij beslissingen
120. Beslissingen nemen
121. Risico's nemen
122. Een mondelinge presentatie houden
123. Ingaan op vragen van anderen
124. Aandacht van anderen vasthouden
125. (Audio-) visuele middelen effectief gebruiken
126. Informatie van anderen ordenen
127. Informatie verzamelen
128. Hoofdzaken van bijzaken onderscheiden
129. Anderen informeren
130. Omgaan met onzekerheid
131. Verbeteringen aanbrengen
132. Anderen stimuleren tot verandering
133. Omgaan met verandering
134. Inspelen op onverwachte situaties
135. Ideeën ontwikkelen
136. Ideeën vormgeven
137. Nieuwe kansen of mogelijkheden zoeken
138. Omgaan met beperkingen
139. Nieuwe kennis toepassen
140. Nieuwe vaardigheden aanleren

0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0

0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0